Signeersessie nieuw boek Tram 4 – Korte ritverhalen II op zondag 18 december

Signeersessie zondag 18.12.2016

Tram 4 – korte ritverhalen II

De Vrouw met de Rode Schoenen rijdt al een tijdje met Tram 4 door de Gentse binnenstad. Ze observeert, zoekt en voelt de verhalen die achter de vele reizigers schuilen en pent ze neer.

Na het succes van de blog: https://tramvier.wordpress.com/ en de boeken “Tram 4 – korte ritverhalen I” en “Tram 4 – de roman: Tante Clothilde is dood!” ligt “Tram 4 – korte ritverhalen II” nu in de winkel. Het ideale kerstgeschenk!

Op zondag 18 december 2016 van 14 tot 15 u stelt Elena Van Gent haar boek voor in de Standaard Boekhandel Dok Noord Gent.

Van harte welkom!

Meer over het boek en hoe het te bestellen, vind je op:

http://www.partizaan.be/boeken/tram-4-korte-ritverhalen-ii.html

knipsel

Elena met de Rode Schoenen

Elena de vrouw met de rode schoenenDe deuren van Tram 4 gleden open en een massa mensen verliet de metalen slang. Op weg om naar huis te gaan, naar hun geliefde of naar een kind. Met vrienden naar een restaurant of op café waar een pint zou gedronken worden. Naar een late werkshift of op wekelijks bezoek bij ouders die al een dagje ouder-der werden. Ze repten zich naar het warenhuis dat binnen het kwartier de deuren zou sluiten en konden zo het avondeten nog op de valreep bereiden. De tram voerde hen door de stad: naar Moskou waar ooit een film opgenomen werd en naar het Universitaire Ziekenhuis waar een man zijn pas bevallen vrouw en zijn nageslacht zou omhelzen. Een oude man kwam van een visite aan zijn dementerende vrouw die hem steeds vaker niét dan wél herkende. Huilen zou hij niet op het openbare vervoer, maar straks – in de warmte van zijn nest – zou het verdriet komen opzetten. Dan zouden de hete tranen over zijn wangen glijden en zich langzaam met het zweet op zijn huid vermengen. Een kind huppelde vrolijk naar buiten en lachte onschuldig zoals alleen kinderen dat kunnen.
Er waren slechts een paar plaatsen vrij en Elena zocht een plekje. Ze vouwde met een gebaar haar jurk netjes onder zich. De stoel voelde warm aan, iemand had er eerder zijn warme billen op gezet. Ze keek uit het raam naar de mensen die wandelden, slenterden of zich repten. Zouden ze haar verhalen gelezen hebben, dacht ze. Was er iemand onder hen die nieuwsgierig was naar de Vrouw met de Rode Schoenen?
Bijna negentienduizend blikken waren er op haar schoeisel geworpen, al die ogen die het wekelijkse vertelsel op de blog hadden gezien. Iedere maandag, stipt om 6.25u, kwam een Tram 4-personage tot leven. Soms oud, soms jong. Soms een vrouw, een man, een eenzaat of een koppel. Een conversatie tussen drie oudere dames of een echtpaar dat goed kibbelen kon. Ze had hen allemaal een naam gegeven en er een leven bij verzonnen.
Er waren heel wat mensen die ook het boek hadden gekocht, die de “Tram 4- Korte Ritverhalen” in hun bibliotheek hadden uitgestald of de recente roman “Tante Clothilde is dood” hadden besteld. Het papier zou de tand des tijds doorstaan en misschien jaren later nog van hand tot hand gaan. Een blik zou geworpen worden op de foto die de achterkant sierde: twee gebruinde benen op rode stelten die de trap aan de Koninklijke Nederlandse Schouwburg beklommen in het hartje van Gent.

*4*

ElenaNTGTram 4 reed over de sporen, tussen de groene bomen van de Frère Orbanlaan naar zijn finale bestemming. Naar het einde, zo moest het zijn. Er was een tijd voor alles, bedacht Elena. Het moment van afscheid was gekomen, een gedag aan mensen die haar het allerbeste hadden gewenst. Die ze had ontroerd met een verhaaltje of die er hartelijk om hadden gelachen. Die zeiden dat het herkenbaar was en dat zij hetzelfde ook eens hadden meegemaakt. Die genoten hadden van dat wekelijkse ritueel dat ze met hen had gedeeld.
Negentienduizend ogen-blikken en nu zou het de laatste zijn. In gedachten draaide de Vrouw nog een rondje op haar Rode Schoenen, maakte een diepe buiging voor haar publiek en zei: “Van harte, bedankt!”

Fauve

FauveZe kneep haar oogjes dicht en deed ze opnieuw open. Open, dicht. Open, dicht. Het was een leuk spelletje, zeker als er zonlicht was. Daar hield Fauve van! Regen was niet altijd fijn: dan moest mama van haar kinderkoets een plastic huisje maken en vielen er regendruppels op het scherm. Drop, drop, drop. Zo nu en dan kwam er ook eentje op haar kop terecht! Dan huilde ze net zo luid tot mama met haar ging schuilen en de bui over was.
Mama, mamaa, mamaaatje, zij was lief. Fauve kon nog niet zo lang het woordje zeggen: ma-ma. Eerst was er “papa” over haar lipjes gekomen: pa-pa. Dat ging gewoon een beetje gemakkelijker en papa was er blij mee geweest.
Ze stak haar teen in haar mond, die vond ze lekker sappig. Niet zo goed als de groenten en fruitpap. Banaan was het liefste wat ze at en op de tweede plaats kwam een appel. Melk in haar flesje maakte haar blij en ook water om haar dorst te lessen. Of een koek waar ze kon aan knabbelen en knagen tot er nog enkel kruimeltjes over waren.
Er hing een slinger boven haar hoofd met houten diertjes aan: een eend, een giraf en een krokodil. Die wiebelden heen en weer tot ze er scheel van begon te kijken maar ook dat was grappig.
Vandaag zou mama de ganse dag bij haar zijn en moest ze niet naar de crèche. Dat woord zei papa altijd: “crèche” en mama zei dan: “Spreek toch Nederlands, het is de kinderopvang!” Daar zat Alexander en die kneep altijd in haar arm, zo hard dat ze ervan wenen moest. Dan mocht ze bij een van de namaakmama’s op de schoot tot het verdriet over was. Er waren wel heel leuke spelletjes: blokjes om in je mond te stoppen en een mat met allemaal verschillende soorten bellen en lawaai, zoals van een koe die in de wei stond en van een paard.  Ze dronk er ook lekkere sapjes van vruchten die ze niet kende.

*4*

SaraTram 4 reed door de stad waar ze straks met mama een wandelingetje zou maken: dan ging het van hobbeldebobbel over alle kasseien en kriebelde het in haar buikje. Mama vond het niet altijd fijn rijden met de tram. Ze zuchtte vaak dat er geen sterke armen waren om Fauve in haar koets die smalle trap op te dragen. Dan zei ze soms: “Fauveke, ik wilde dat je al wat groter was!” Maar hoe Fauve ook haar best deed, de centimeters kwamen niet per seconde maar met de jaren.
De diertjes aan het draadje draaiden vrolijk om hun as en ook haar fopspeen hing eraan. Die zat plots vast, ze kon er niet meer bij.
Mama, het zit klem.
Mama, het komt niet los.
Mama, help me toch.
Ma-ma. Ma-maaaaa!
Maar mama keek niet, ze staarde uit het raam en zat in een andere wereld met haar gedachten.
Misschien moest ze het opnieuw op een huilen zetten? Ze deed haar mondje open en sakkerde een beetje en liet haar lipje trillen. Tot een vriendelijke meVrouw met mooie Rode Schoenen zei: “Sst, ik zal je wel helpen!”
Ze stak het kleinood in Fauves mond en de zon ging prompt feller schijnen. De zon scheen in haar oogjes en ze knipperde die open en dicht. Open en dicht. Open en dicht. Het bleef een leuk spelletje.

Nathalie

Nathalie.jpgHet was gebeurd voor ze er erg in had en nu zat ze met de gebakken peren. De dag was hectisch begonnen en Nathalie was met het verkeerde, en veel te late, been uit bed gestapt. De wekker had zijn wek-werk niet gedaan en ze was pas om half acht wakker geworden, een uur later dan ze normaal gezien uit haar slaapje kwam. Haar man was recht geveerd en had luid in haar oor geroepen: “Nathalie, je moet opstaan!” Het was als een drilboor tegen haar trommelvlies geweest.
De oudste, een dochter, was ondertussen stilletjes voor de televisie gekropen en de jongste welp sliep– voor een keertje – de slaap der onschuldigen. Met vier druppels water had ze zichzelf gewassen: eentje achter elk oor en onder iedere oksel. Ter compensatie had ze zich nadien kwistig met parfum besproeid. Ze had snel in een toast gebeten en de  kinderen gevoederd met wat ochtendgranen. Maar ook dat gebeuren was geen succes gebleken: de dochter had een beker chocolademelk over haar witte jurk gegoten en was prompt in een huilbui uitgebarsten. Haar zoontje, net geen twee jaar oud, was niet in beweging te krijgen en trok zonder pardon, en tot drie keer toe, zijn sokken uit. Er was een snelle echtelijke kus geweest en ze had de beide kinderen veilig in de wagen gezet. Toen was ze naar de crèche en de kleuterschool gereden.
Nathalie was niet alleen op de weg geweest: voor haar, naast haar en achter haar reden nog auto’s en fietsen vol haastige en geïrriteerde mensen. Bureaucraten die naar kantoor gingen, arbeiders naar de band. Kinderen naar hun juf of naar hun leraar, allemaal op zoek naar hun weg doorheen stedelijk Ochtendland. Haar gedachten waren weggegleden: naar de vakantie in warme oorden, naar zalig niksen onder een parasol. Plonsen in het heerlijke zwembadwater en iedere avond een andere cocktail. De ene bikini lui inruilen voor de andere.
De auto voor haar had nog een beetje extra gas gegeven en was door het oranje licht gereden. Die kleur herkende ze wel, net als het rood dat er op volgde. In haar achteruitkijkspiegel zag ze de stoet auto’s die achter haar reden, en – als op automatische piloot – was ze door het rood gegaan. Er deed iets “flits” en ze had spontaan nog aan paparazzi gedacht, maar helaas was het een boete gebleken. De advocaat vroeg of ze verzachtende omstandigheden had en ze zei: “Ik heb te lang geslapen en was mijn normale ritme kwijt.”
“Ik denk niet dat de politierechter dat zal aanvaarden, maar het is een poging waard.”

*4*

ElenaBotermarktNathalie stapte op aan de Coupure, ze was zonet bij de advocaat geweest. Het vonnis was niet zo mild en haar tijdelijke kleurenblindheid had haar meer dan 400 euro gekost. De man die recht had gesproken, had bovendien geoordeeld dat ze twee weken niet met de auto mocht rijden. Dus moest ze nu iedere ochtend en avond het openbaar vervoer nemen want van fietsen hield ze niet. Op de tram zaten maar een zestal mensen: een zoenend koppel, een bejaarde man, een jonge kerel met tattoos, een vrouw met prachtige Rode Schoenen en Nathalie. Haar man stond nu in voor het voeren en halen van de kinderen. Voor de controle of het zoontje zijn sokken aanhad en of de jurk van de dochter niet onder de chocolade zat. Nathalie zuchtte en dacht dat ieder nadeel zo zijn voordeel had… en genoot verder van het rustige ritje op de tram.

Marcella, Maurice en Anita

Maurice Marcella en Anita“We zijn uitgenodigd: ze zijn vijftig jaar getrouwd en geven een feest.”
“Vijftig? Amai, hij is nochtans geen gemakkelijke mens om mee samen te leven. Hij kan heel scherp uit de hoek komen en moet altijd het laatste woord hebben.”
Maurice knikte en zei: “Vijftig jaar, die…”
“En hij blijft liever lui in zijn zetel hangen dan iets te doen. Van te blijven zitten, ga je dood. Dat zeg ik altijd, hé Maurice?”
“Zoveel…”
“Wij spelen petanque op maandag en vrijdag: dat is goede beweging en je komt eens onder de mensen. Dat hebben we nodig.”
“Groot gelijk, Marcella. En moet er ook een cadeau worden gegeven?”
“Bij de petanque?” vroeg die verbaasd.
“Maar nee, voor de gouden bruiloft. Die vijftig jaar.”
“We kunnen ze een bon geven om op restaurant te gaan, maar ja, die zal in de kast blijven liggen.”
“Want hij zit altijd in zijn zetel.”
“Zoals je zegt, Anita!” Marcella lachte haar valse tanden bloot.”Op reis gaan, dat doen ze evenmin. Ze zijn niet allemaal zoals wij, hé Maurice.”
“Ik mag er…” zei hij en werd weer onderbroken.
“Wij gaan altijd veertien dagen naar De Panne. Vroeger gingen we met de kinderen naar het zuiden van Frankrijk. Met de auto, steek mij op geen vliegtuig! Alles, maar niet met de voeten van de grond!”
Anita knikte instemmend, zij bleven ook liever in en op het land. “Wij zijn in juli met de kleinkinderen een weekje naar de Ardennen gegaan. In de caravan, dat vinden ze plezant.”
“We waren blij dat we eens buiten waren, want in ons gebouw zijn ze op ’t vijfde een paar flats aan het renoveren en ze maken veel kabaal. De buren zijn moeten verhuizen, wel tot drie keer in zes jaar.”
“Goede buren?”
Marcella haalde haar neus een beetje op. “Vreemdelingen.”
“Van die soort…”
“Maar ze zijn proper en ze maken geen lawaai.”
“’t Zijn niet allemaal slechteriken en terroristen. Af en toe zit er ook een goede tussen.”
“Dat is geen…” probeerde Maurice nog een keer.
“Toen Maurice vorig jaar zijn been gebroken had, is “de vreemde” fruit komen geven. Pas op, geen goedkope appelsienen en slappe bananen! Nee, een grote tros druiven en perziken, vijgen en pruimen. Maar daar kunnen de darmen van Maurice niet tegen. Hij is drie dagen niet van de WC gekomen.”
Anita giechelde een beetje.
“Ja, ja, in een huwelijk kom je wat tegen. Op naar onze vijftig jaar, hé Maurice!”
“Gelukkig is er…”
“Misschien geef ik je dan een paar extra metalen ballen, Marcella.”
“Nieuwe ballen voor Maurice,” grinnikte ze, “dat komt op onze leeftijd zeker goed van pas.”

*4*

Maud en Marie 2Maurice zuchtte onhoorbaar en keek door het raam van Tram 4. Gent, dacht hij, daar woonde hij zijn hele leven al. Wat verderop zat een Vrouw met prachtige Rode Schoenen, zoals de aardbeien die ook op de fruitschaal van “die vreemde” hadden gelegen. Hij dacht aan de woorden die zonet in zijn mond waren blijven steken, aan de zinnen die hij alleen in zijn hoofd gemaakt had: Vijftig jaar getrouwd, die kerel verdient een medaille. Zoveel jaar samen met jou, ik mag er niet aan denken! Dat is geen feest maar een begrafenisplechtigheid. Gelukkig is er zo nu en dan iets dat het leven mooier maakt…
Hij glimlachte voor de tweede keer naar de dame die de rode schoentjes aan haar voeten had en haar mondhoeken krulden. Sommige dingen waren wel een tramrit naast Marcella waard.

Casper

CasperZe waren met het vliegtuig gegaan en hij was helemaal niet bang geweest. Papa zei dat het zou kriebelen in zijn buik en misschien ook een beetje zou prikken in zijn oren. Eerst waren ze naar de luchthaven gereden en hadden ze de auto in een grote garage geparkeerd. Papa had een lelijk woord gezegd omdat hij niet onmiddellijk plaats had gevonden. Maar dan waren ze uitgestapt en had Casper, aan mama’s hand, een gans eind moeten stappen. Gelukkig dat hij een koffer op wieltjes had! Het was een blauwe, met Nemo op, zijn favoriete tekenfilmfiguur: de vis met de oranje en de witte strepen die een beetje verloren gezwommen was. In zijn koffer zat zijn groene zwembroek, een zonnebril en drie kleurboeken met wat potloden. Ook het boek met verhaaltjes voor het slapengaan over een olifant met een lange slurf (en grote oren). En zijn knuffel natuurlijk, zonder Meneer Beer ging hij nergens heen!
Toen waren ze op het vliegtuig gestapt en de mevrouw had gezegd: “Dag jongeman!” Dat vond hij wel een beetje grappig, want hij heette eigenlijk Casper. Papa had zijn valies onder de stoel geschoven en toen had hij geweend want Meneer Beer zat er nog in! Hij mocht aan het raampje zitten en mama had zijn riem dichtgedaan (ze zei dat hij een beetje mager was of dat er eerst een dikke meneer op zijn plaats had gezeten). Het vliegtuig reed een beetje heen en weer en uiteindelijk heel erg snel! Dan was het met de wielen van de grond gegaan. Casper dacht dat hij een vogel was (maar dan zonder eigen vleugels en ook zonder staart). De wolken waren wit en zijn papa zei dat ze nu héél hoog in de lucht zaten, bijna in de hemel zelfs!
Hij had van de mevrouw (die “jongeman” zei) een blaadje met een tekening gekregen die hij kon kleuren. Dat kregen alle kinderen, het was een kadootje omdat ze zo flink waren. Een meneer had hem ook een drankje en een koek gegeven. Mama zei dat hij niet teveel ineens mocht drinken, want dan moesten ze naar het kleine hokje gaan. En er stonden nu al zoveel mensen aan te schuiven! Mama had daar helemaal geen zin in, zei ze, en hij had zijn fruitsapje niet helemaal opgedronken (wat een beetje jammer was). Maar de koek had Casper wel opgegeten want die was met chocolade.
Het vond dat hij een beetje lang op zijn stoel moest zitten. Papa zei: “een kermis is een geseling waard”, maar Casper wist niet wat dat betekende. Toen had de piloot door de microfoon gezegd hoeveel graden het in Spanje was. Mama zei: “Hoera, het is er beter dan thuis!” Casper was gewoon benieuwd of het er dan zó warm zou zijn dat hij in zijn zwembroek zou mogen slapen.
Meneer Beer vond het ook leuk, dat vliegen, en ze hadden samen uit het raampje gestaard: naar de wolken en de zon. En naar de lucht die even blauw was als de zee van Nemo! En zijn oren deden helemaal geen pijn.

*4*

JasmijnNu waren ze terug thuis en zou hij met Meneer Beer en de tram naar oma en opa gaan. Tram 4 nam een grote bocht aan de Coupure en Casper viel bijna om! Een meVrouw met Rode Schoenen lachte naar hem en naar zijn mama. Hij keek door het raam naar buiten en zag een vogel zweven in de lucht. Misschien kriebelde zijn buikje ook en vond hij, net als Casper,  vliegen heel erg fijn?

Amélie

AmélieDe ene helft waren ze bij haar, de andere bij hem. Het leek alsof ze twee halve kinderen had. Vijf maanden, twee weken en zes dagen geleden had hij “het” haar gezegd. Amélie herinnerde het zich nog alsof het gisteren was.
“Er is een ander.” Vier woorden die haar hele universum deden wankelen, die al haar zekerheden wisten alsof ze nooit hadden bestaan.
“Wat zeg je?” had ze nog – heel naïef –  gevraagd en hij had het nog eens herhaald, de korte versie dan.
“Een ander.”
Amélie kon het zich nauwelijks voorstellen dat iemand anders vond dat dat hij sexappeal had (of hoe heette dat tegenwoordig?) Hij: met zijn versleten, geruite pyjama die hij niet wilde inruilen voor een moderner exemplaar (“hij zit zo comfortabel, ik draag hem al zo lang en zo graag”). Met zijn pantoffels waarmee hij door het huis slofte, en zijn ene grote teen die eruit piepte alsof hij een acuut zuurstoftekort had (dat was niet moeilijk, zijn voeten stonken geweldig). Met het gepeuter in zijn neus wanneer hij met de auto voor het stoplicht stond en met die tros veel te lange okselharen. Met de extra centimeters rond zijn navel waardoor dat ene knoopje van zijn hemd wat strakker zat. Met zijn dunner wordende haren waar hier en daar een grijs tussen zat. Met dat eindeloze klagen omdat hij vond dat hij recht op een ochtendhumeur had. Met die ene tand die net een beetje schever stond dan alle andere, waardoor hij vond dat hij een beugel zou moeten dragen (en zij hem ferm uitgelachen had). Met zijn manische kantje bij het poetsen van de familiewagen tot er geen vlekje meer te bespeuren viel. Met zijn achterwerk dat vlakker dan een plat bord was en zijn humor, droger dan een woestijn. Maar, ondanks dat alles,  had hij haar geluk en de kinderen afgepakt. Dries van zeven had geen commentaar gegeven (er was een Playstation in beide huizen, dat volstond) maar Emma van negen had geprotesteerd terwijl ze haar valiesje aan het inpakken was. “Ik wil niet bij papa gaan,” had ze gezegd en het huilen had Amélie ook nader dan het lachen gestaan. “Waarom zijn jullie eigenlijk gescheiden?”
Ze had de waarheid kunnen zeggen: dat er in haar gekoesterde stad een vrouw liep, die als een inktvis haar tentakels rond de vaderfiguur had gewikkeld. Die niet maalde om dat buikje in wording noch over het futloze of overtollige haar. Die wellicht dacht dat ze het lot uit de loterij had gescoord met de man die buitenshuis zoveel praatjes had. De man van wie zij zoveel gehouden had.

*4*

SaraDe tram reed door de Gentse straten en Amélie vroeg zich af waar hij nu met de kinderen was. Of hij ooit zou beseffen hoe gelukkig hij met haar geweest was. En dat het gras aan de andere kant altijd zoveel groener was. Misschien was ze de afgelopen jaren teveel moeder geweest en te weinig frivool in bed? Wellicht had ze haar katoenen nachtjapon moeten inruilen voor een negligé en had ze sexyer materiaal aan haar voeten moeten dragen (zoals die Vrouw met de Rode Schoenen dat deed). Dan zou ze nu geen weken, dagen en uren moeten tellen tot ze haar kroost deze zomer weer bij zich had. En zou ze geen helften meer moeten verdragen.

Pieter

PieterEr was een krak geweest, niet eens zo’n luide, en plots lukte het rechtkomen niet meer. De pijn had als het beste keukenmes zijn ruggengraat figuurlijk in twee gesneden. Morgen zou hij veertig worden, de leeftijd waarop alles moest kunnen: de kinderen waren gebroed, een nieuwe carrière zat nog in de lift en de geldzorgen werden minder. Pieter moest niet kiezen tussen een vakantie op de latten of eentje onder de zon: hij verdiende genoeg, beiden waren mogelijk. Zijn kroost was gezond, gelukkig en op verschillende tijdstippen op de wereld gezet: een van veertien, een van negen en de laatste van nauwelijks anderhalf. Die was de vrucht uit zijn tweede huwelijk want zijn nieuwe vrouw had haar biologische klok voelen tikken. Waarschijnlijk was de slijtage van zijn rug te wijten aan haar voortplantingsdrang, ze kreeg er bij momenten niet genoeg van. Met zijn ex had hij  – voor zover dat kon –  een goede verstandhouding en ze praten nog over het welzijn van de kinderen. Zij had een ander, en beter, mannelijk exemplaar op de kop getikt in het warenhuis (tussen de chocopasta en de flessen limonade). Hij had zijn tweede dame drie jaar geleden tussen het spelen met de tennisballen opgepikt. Dat was de reden waarom ze dacht dat hij van het viriele type was.
Ja, objectief gezien mocht Pieter niet klagen. Maar het naderen van het cijfer 4 voelde hij wel.
“Het is een lumbago en het zal beteren. Je moet het een beetje rustiger aan doen…” had de kinesist gezegd. En toen was het zinnetje gevolgd dat hij vreesde: “…voor jouw leeftijd.”
Hij zou tijdelijk op de rem moeten gaan staan en stoppen met het wekelijkse partijtje voetbal. Gedaan met het shotten, het glijden in de modder en elkaar een kopstootje geven. En omdat hij medicijnen nam, stond er ook een limiet op het gewichtheffen (dat was het hijsen van biertjes dat ze op café deden ; nu eens met de rechterarm en – wanneer die moe werd – dan met de linker). Met zijn tweede kind kon hij niet langer ravotten in de zetel en al zeker niet meer touwtjesspringen. En de jongste kon niet meer paardjerijden op zijn knie, want daar zat nu blijkbaar ook artrose in. Tegen zijn wederhelft zou hij de volgende weken vaker “nee” moeten zeggen. Vooral als ze het heel lief kwam vragen of hij het gras wilde afrijden en de vuilbak buiten zetten. Pieter zou bij het horen van Zuid-Amerikaanse deuntjes niet meer spontaan in salsa-dansen uitbarsten. Met de oudste zoon was het gedaan met tennisspelletjes spelen op de Playstation.

***

Fanny1Tram 4 reed, soepeler dan Pieter kon bewegen, door de straten van de drukke Gentse stad. Gelukkig volgde het voertuig de sporen en kwamen er geen schokken door het hobbelige wegdek aan te pas. Verderop zat een Vrouw met Rode Schoenen en hij telde de centimeters van haar hakken. Voor het eerst in zijn leven had hij respect voor vrouwen die erin slaagden om op zulke stelten hun evenwicht te bewaren, en hun bekken niet uit de kom te laten kantelen.
Ineens nam Pieter het besluit: hij zou geen veertig worden, maar bleef voor eeuwig negenendertig (plus)! Met wat medicijnen en een krachtige zalf zou hij de tekenen van verval een halt toeroepen. En voorzichtig zou hij af en toe “ja” zeggen tegen zijn vrouw wanneer haar hormonale horloge tilt ging slaan. Misschien kwam er nog een nummer vier, het cijfer dat hij nu graag uit zijn gedachten wiste…

Rita

RitaEen vodje, meer was het niet. Een velletje dat bestond uit samengeperste bomen. Maar toch had het loterijticket bijna een gat door haar versleten, bruine handtas gebrand. Rita had, tot voor kort, nog nooit iets gewonnen. Hooguit kreeg ze hier of daar een staaltje gratis: een blikje frisdrank in de winkelstraat, een zakje wasverzachter in het warenhuis en een potje handcrème bij de apotheker. Neen, Rita had nooit vooraan gestaan toen de extraatjes werden uitgedeeld, zelfs een gewone haarkleur had ze niet. “Rosse Rita” noemden de kinderen in de klas haar en daar had ze vaak een traan om gelaten. Haar moeder zei dan altijd: “Ge zijt te braaf, mijn kind, zo braaf dat ge nergens zult geraken.”
Ver was ze inderdaad nog nooit geraakt: niet naar het zuiden van Spanje en ook niet naar Tunesië of Turkije, in zo’n groot hotel waar alles inbegrepen was. Ze kon er maar van dromen om op haar luie krent met een cruise te gaan varen. Tussen al het chique volk dat met een metalen staaf op een wit balletje sloeg en dat dan nog moest gaan halen ook. Dat was niets voor hen, zo had haar man beslist. Dus gingen ze samen ieder jaar veertien dagen naar de Ardennen of een weekje naar Frankrijk in de tent of met de caravan.
Het leven was al duur genoeg en het werd erger met de jaren. De welgestelden zeiden dat ze de crisis niet voelden, maar in haar portemonnee voelde ze de waarde van haar centen dalen. Al van haar achttiende poetste Rita, de laatste jaren bij de rijke mensen. Die leefden in huizen drie keer zo groot als dat van haar: met een overdekt zwembad en een bubbelding met een naam die ze nooit kon onthouden. Ze gingen er met hun bloot gat in zitten, terwijl het buiten aan het vriezen was!
“Met dit lotje win ik de loterij,” had ze tegen de collega’s gezegd, “en dan gaan jullie me niet meer met de tram zien komen! Dan heb ik eindelijk geld voor een nieuwe auto, daarvan droom ik al zo lang.”
“Droom maar verder, rooie!” lachten ze dan.

*4*

Rita 2De tram reed langs de haltes die ze zo goed kende: Sleepstraat, Lange Steenstraat, Gravensteen.” Wat verderop zou hij op haar staan wachten en vanaf dan zou ze zich altijd door hem laten voeren naar het werk. Gedaan met de drukte van de tram, met de geur van stinkende okselvijvers in de zomer en mensen die niet wisten dat ze water ook konden gebruiken om zich te wassen. Geen kleine kinderen meer die jengelden en dikke vrouwen met zware boodschappentassen.
“Vier cijfers hebben we juist,” had ze tegen haar man gezegd, “we hebben eindelijk wat geld gewonnen. Je weet dat ik luxe wil, een nieuwe koets op vier wielen graag.”
“U vraagt, wij draaien!” had hij gezegd.
De tram hield stil aan de halte Korenmarkt en in de verte zag ze hem zwaaien. Zou het een grijze wagen zijn, een witte of een glanzende zwarte die hij voor de testrit uitgekozen had?Of een rode, net zoals de Schoenen van de Vrouw die naast haar zat?
De paarden hinnikten toen ze dichterbij kwam en haar wederhelft grijnsde breed. “Je wilde toch zo graag een ritje door de stad maken? Ziehier je nieuwe koets, prinses Roodhaar.”
Rita maakte zich niet kwaad. Haar moeder had gelijk dat ze te braaf was, maar geen geld ter wereld zou haar kerel een beetje snuggerder maken.

Tram 4 – de roman – Tante Clothilde is dood

VANAF 10 JULI – de roman  van Tram 4 :”Tante Clothilde is dood” van Elena Van Gent

De ideale zomerlectuur! Bestel nu je exemplaar via http://www.partizaan.be/boeken/tram-4—tante-clothilde-is-dood.html  (gratis thuislevering)

Cover TCID

Na ruim zeventig jaar ruilt de zwijgzame, alleenstaande Clothilde het tijdelijke voor het eeuwige in: ze sterft. Haar nalatenschap bestaat uit weinig waardevols, op wat familiejuwelen en een schilderij van het stadhuis van Gent na. Tot ieders verbazing blijkt dat de artiest van dit kunstwerk, de mysterieuze Albert, haar minnaar was. Tineke, het nieuwsgierig achternichtje van Tante Clothilde, gaat op zoek naar de geheimzinnige man: wie is hij en waarom wist niemand dat Clothilde “een vrijer” had? En waar zijn de verdwenen familiejuwelen gebleven?

In de roman “Tante Clothilde is dood” komen een aantal personages uit “Tram 4” tot leven: de kranige oude Raoul die geregeld de loopschoenen aantrekt, de vluchteling Ferhat, de bazige Mariette, de kleine Simon met het parapluutje en Monaatje Hormonaatje.

De tram is de rode draad doorheen de verhalen, de plek van ontmoeten en verbinden, van zoeken en ook van beminnen. Het boek speelt zich af tegen de achtergrond van de stad Gent, die een prominente plaats inneemt.

Een voorproefje…

“Zeg, opa, iets helemaal anders: heb je ooit geweten dat Tante Clothilde een geliefde had?”
Hij schoot in een bulderlach. Het schuim van het bier spoot van zijn lippen over de tafel en bijna op haar lycra topje. “Ons Clothilde? Een vent? Maar Tineke toch, in uw dromen, ja!”
Ze zei heel erg overtuigd: “Maar écht, Oom Bert zei het.”
“En Bert kan het weten? Was hij er bij misschien toen ze met die geheime kerel lag te rollebollen? Allez serieus, meiske, mocht ze een vent gehad hebben, dan hadden we dat toch geweten? Ze kon wel goed zwijgen, ons Clothilde, maar om nu zowel het feit als de identiteit van een minnaar te bewaren, dat lijkt me straf.”
“Toch is het zo,” zuchtte Tineke.
“En waarom is dat belangrijk, meiske?” Zijn wenkbrauwen gingen de lucht in. “Oh, ik weet het al: voor het geld! Wellicht is die kerel met de familiejuwelen gaan lopen, is het dat? Hebben de tantes en neven en nichten je opgestookt? Ik zal het er nog eens met ons Irma over moeten hebben. Met al die nonsens van ons Mariette, die heeft er zelfs een advocaat bijgehaald! Je houdt dat mens toch niet voor mogelijk”